De Nederlandse voetbalpiramide door de jaren heen

Vanaf 1888 wordt in Nederland in competitieverband gespeeld. In die bijna 130 jaar is de competitiestructuur vrijwel voortdurend veranderd. Van kleine wijzigingen of uitbreidingen tot grote hervormingen. Alleen tussen 1974 en 1996 was het aantal aanpassingen beperkt.

In grote lijnen zijn zeven verschillende periodes te onderscheiden. Met deze periodes als leidraad staan hieronder de wijzigingen in de voetbalpiramide. Klik op de afbeeldingen voor een grotere versie.

Legenda:
Geel: Hoogste amateurniveau
Rood: Profcomeptities

1. Periode van ontwikkeling (1888-1917)
Een kleine dertig jaar duurt het voordat de basis van de piramide is voltooid. Begonnen eind jaren tachtig met één enkele afdeling tot een structuur bestaande uit drie niveau’s en een 1e klasse in vier regio’s die het hele land dekt in het seizoen 1916-1917.

1.1 – 1888-1893
In de eerste twee seizoenen van het (min of meer) georganiseerde voetbal is er precies één competitie, een eerste klasse met clubs uit Haarlem, Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Het is allemaal nog erg vrijblijvend en de competitie heeft ook nog een officieus karakter. In 1890 wordt voor het eerst een 2e klasse ingesteld, nog steeds met enkel westelijke clubs, plus Go Ahead uit Wageningen. Opmerkelijk: in de eerste twee jaren wordt die 2e klasse gespeeld volgens het knock out-principe.

   

1.2 – 1893-1896
In 1893 start de eerste competitie in Oost Nederland, met deelname van drie clubs. Die competitie krijgt de status van 2e klasse. In het westen gaat de groei verder en is er inmiddels ook een 3e klasse. Vanaf 1894 krijgt ook het noorden een eigen competitie, ook deze wordt ingeschaald als 2e klasse. In datzelfde jaar ontstaat in Amsterdam de eerste afdelingsbond, die regionale competities organiseert onder de vlag van de (K)NVB. Ze heten daarom ook wel erkende bonden. Tot ongeveer 1930 ontstaan vele afdelingsbonden (en velen verdwijnen ook weer of gaan op in grotere afdelingsbonden).  Ze organiseren alle competities die niet door de (K)NVB zelf worden georganiseerd. Dat betreft zowel competities van standaardteams als lagere en jeugdteams. Binnen sommige afdelingsbonden worden na verloop van tijd ook competities op zaterdagmiddag georganiseerd.

   

1.3 – 1896-1900 
De hoogste oostelijke klasse wordt in 1896 opgewaardeerd tot 1e klasse. Maar pas na het seizoen 1897-1898 spelen de kampioen van het westen (RAP) en oosten (Vitesse) om het landskampioenschap. Daarmee is RAP de eerste officiële landskampioen van Nederland. Daarvoor werd de kampioen van het westen als officieuze landskampioen aangemerkt. In het zuiden van Nederland duurt het langer voordat het voetbal zich organiseert, maar in 1896 is er ook in het zuiden voor het eerst een competitie. Er zijn daardoor nu in alle vier windstreken NVB-competities.

1.4 – 1900-1902
In 1900 wordt een 3e klasse Zuid aan de piramide toegevoegd. Een jaar later verdwijnt die weer en krijgen juist het oosten en noorden een 3e klasse.

 

1.5 – 1902-1904 
Tussen 1902 en 1904 wordt de hoogste klasse in het wetsen opgesplitst in een 1e klasse A en B. Dan spelen dus ook drie clubs om de landstitel, die overigens vooralsnog iedere keer naar een westelijke deelnemer gaat. In het seizoen 1903-1904 is er geen aparte zuidelijke afdeling, maar spelen deze clubs in een afdeling onder Oost.

  

1.6 – 1904-1906
De westelijke 1e klasse wordt weer samengevoegd tot één afdeling. In 1905 vervalt (voor slechts één seizoen) de 3e klasse Noord. In 1906 keert de 2e klasse Zuid ook weer in naam terug.

 

1.7 – 1909-1913
Onder de afdeling Zuid wordt een speciale Zeeuwse afdeling ingevoerd, om de reisafstanden voor de betreffende clubs te beperken. In 1911 krijgt Oost weer een 3e klasse en hetzelfde geldt een jaar later voor Zuid.

  

1.8 – 1913-1917
Vanaf 1913 komt er langzaam maar zeker eindelijk een landelijke dekking van 1e klassen. In dat jaar wordt de hoogste afdeling in Zuid eindelijk gepromoveerd tot 1e klasse in 1916 gevolgd door het noorden. Door het uitbreken van de 1e wereldoorlog is er in het seizoen 1914-1915 een noodcompetitie. Met name in het zuiden (waar enkele militaire clubs spelen in de 1e klasse) raakt de competitie ontregeld. Uiteindelijk spelen de kampioenen van West en Oost wel om de landstitel. In 1916 is Willem II de eerste niet -westelijke landskampioen.

  

In 1915 worden de eerste katholieke voetbalbonden opgericht, die hun eigen competities organiseren. Later komt er een landelijke overkoepelende organisatie: de RKF. Met name in het zuiden, maar ook in delen van Oost- en West-Nederland wordt de RKF een factor van belang. Naast de RKF zijn er buiten de NVB om, ook al sinds circa 1910 enkele kantoorvoetbalbonden actief, voornamelijk in de grote steden in het westen. Omdat veel kantoorbonden (vereniging in de NVF) naar verloop van tijd opgaan in de (K)NVB en klein in omvang zijn, zijn deze in dit overzicht buiten beschouwing gelaten.

  

2. Periode van groei (1917-1940)
Na de eerste wereldoorlog groeit voetbal pas echt uit tot een grote, brede volkssport. dat betekent ook dat de piramide wordt uitgebreid. Met name aan de onderkant groeit het aantal afdelingen, zodat er juist in deze periode de pramidevorm ook steeds meer gestalte krijgt. Daarnaast heeft de verzuiling steeds meer invloed op het voetballandschap. Naast de katholieke en kantoorbonden, komen er buiten de (K)NVB ook bonden voor protestanten en socialisten.

2.1 – 1917-1923
Na veel bestuurlijk gekonkel komt er in 1917 een tweede westelijke 1e klasse. De oude 1e klassers – bang voor verwatering van de kwaliteit – voorkomen echter wel dat de clubs gemixt worden, zodat de 1e klasse B wordt samengesteld uit de nieuw gepromoveerde clubs. Daarom wordt deze afdeling in de volksmond ook wel de margarine-afdeling genoemd. Twee jaar later wordt deze situatie toch weer ongedaan gemaakt en gaat de 1e klasse B verder als Overgangsklasse. Vanaf 1919 hebben alle vier districten afdelingen op 2e en 3e klasse-niveau.

  

2.2 – 1923-1926
De spliting van het district West komt er nu toch echt door en dit keer definitief. Het noordelijke deel wordt West I en het zuidelijke deel West II. Dat geldt alleen niet voor de 1e klasse, de clubs worden niet regionaal over de afdelingen verdeeld. Tegelijkertijd verdwijnt de overgangsklasse en komt er een vierde klasse bij in de westelijke districten en in Oost.

2.3 – 1926-1939
De structuur van de KNVB-competities blijft vanaf 1926 geruime tijd grotendeels ongewijzigd. Alleen verdwijnt tussen 1935 en 1937 tijdelijk de 3e klasse in Zuid. Buiten de KNVB zijn er wel veranderingen. In 1926 doet de NASB, de bond van de socialisten zijn intrede en in 1929 de CNVB, de protestants christelijke bond. De wedstrijden van die laatste worden uitsluitend op zaterdagmiddag gespeeld. Ook binnen de KNVB zijn clubs met een protestants christelijke achtergrond actief. Daarvoor hebben verschillende afdelingsbonden speciale zaterdagcompetities.

  

   

2.4 – 1939-1940
De afgekondigde mobilisatie in augustus 1939 maakt dat het seizoen 1939-1940 geldt als noodcompetitie. Met uitzondering van de 1e klasse worden de clubs voornamelijk regionaal ingedeeld en er is geen promotie en degradatie.

3. De KNVB als monopolist (1940-1954)
Gedwongen door de oorlogsomstandigheden vindt er in de zomer van 1940 een fusie plaats tussen de KNVB en de bonden van de verschillende zuilen (RKF, CNVB, NASB en NVF). De bestuurders realiseren zich dat het vormen van een eenheid nodig is en nemen het heft in eigen hand, voordat de bezetter er zich mee gaat bemoeien. De verschillende bloedgroepen hebben wel zo hun wensenlijstje. De katholieken hoeven niet op zondag voor 12 uur te spelen en de protestanten vererven het recht op niet op zondag te hoeven spelen. Een voorstel van de katholieken om ook bij de competitie-indelingen rekening te houden met de achtergrond van de clubs haalt het niet.

3.1 – 1940-1944
Gedurende de oorlogsjaren gaat het competitie tot het seizoen 1943-1944 gewoon door. Vanaf 1942 telt Zuid ook weer een 4e klasse. In het eerste seizoen worden alle CNVB-clubs nog ingedeeld op afdelingsniveau, maar in 1941-1942 is er voor het eerst een zaterdagcompetitie binnen KNVB-verband: een 4e klasse in West II.

   

3.2 – 1945-1950
Na een jaar zonder competitie, wordt in het najaar van 1945 de competitie weer opgepakt. Het aantal districten wordt opgetrokken naar zes, ook Zuid is nu gesplitst in twee delen. Door de instroom van een grote hoeveelheid katholieke RKF-clubs is Zuid flink gegroeid in omvang. Ook zijn nu alle afdelingen gelijk vorm gegeven met een 1e tot en met 4e klasse. Het aantal zaterdagafdelingen groeit ook. In 1945 wordt de hoogste afdeling ingeschaald als 3e klasse, terwijl ook West I en Oost inmiddels eigen afdelingen heeft. In 1947 voegt ook Noord zich daarbij en in 1949 wordt ook de hoogste klasse in west I als 3e klasse ingeschaald.

   

3.3 – 1950-1954
Na vijf seizoenen met zes 1e klassen te hebben gespeeld, wordt de hoogste afdeling vanaf 1950 weer teruggebracht, eerste naar vijf en vanaf 1951 naar vier afdelingen. Tegelijkertijd wordt de regionale indeling grotendeels losgelaten. Elke afdeling krijgt daarom een letter als toevoeging.

  

4. De start van het profvoetbal (1954-1971)
Rijkelijk laat stapt Nederland in 1954 over op het profvoetbal. Na een korte periode waarin naast betalingen in de 1e klasse van de KNVB ook profclubs actief zijn in een wilde profbond (NBVB) wordt in november 1954, als de strijdbijl tussen de partijen is begraven, gestart met vier 1e klassen die het betaalde voetbal vormen. Het duurt daarne enige tijd voor het het profvoetbal zijn vorm vindt.

4.1 – 1954-1956
Na de fusie tussen KNVB en KNVB wordt eind november 1954 de competitie opnieuw gestart met vier eerste klassen met 14 clubs. Na dat eerste seizoen plaatsen de beste teams zich voor de nieuw te vormen twee hoofdklassen. Het aantal clubs dat kiest voor profvoetbal blijft de eerste jaren groeien, waardoor en na dat eerste seizoen vijf profafdelingen zijn: twee hoofdklassen en drie 1e klassen. In het seizoen 1955-1956 hernoemt de hoogste amateurafdeling zich ook tot 1e klasse (bestaande uit drie afdelingen), waardoor er dat seizoen twee soorten 1e klassen zijn. In 1956 wordt ook voor het eerst gespeeld om het amateurkampioenschap. Hengelo pakt de eerste titel, maar zij kiezen, in tegenstelling tot veel andere clubs niet voor een profavontuur. Ook het zaterdagvoetbal blijft groeien. Vanaf 1955 is de 2e klasse het hoogste niveau.

   

4.2 – 1956-1960
Liefst 68 jaar na de start van het competitievoetbal in Nederland is er voor het eerst een landelijke topdivisie. Zo is het aantal afdelingen in de spits van de piramide in zes jaar tijd teruggebracht van zes naar één. Het aantal profclubs piekt in het seizoen 1956-1957 op tachtig, ingedeeld in een Eredivisie, twee Eerste Divisies en twee Tweede Divisies. Daarna blijkt dit aantal veel te hoog neemt het aantal clubs geleidelijk af door fusies, degradaties en vrijwillige terugkeer naar de amateurs.

   

4.3 – 1960-1963
In het seizoen 1960-1961 neemt het aantal profafdelingen voor het eerst af. De twee Tweede Divisies worden samengevoegd tot één. Twee jaar later wordt dat omgedraaid tot een logischer indeling met één Eerste Divisie en twee Tweede Divisies. De scheiding tussen prof- en amateurvoetbal wordt ondertussen steeds scherper. In 1962 is Xerxes de laatste club die gebruik maakt van het recht om als amateurkampioen op sportieve gronden te promoveren. Profs en amateurs worden echt verschillende werelden. In de top van het zondagvoetbal wordt de 1e klasse uitgebreid tot vier afdelingen in 1960 en een jaar later wordt de districtsindeling weer gehanteerd en zijn er zes 1e klassen. In het zaterdagvoetbal zijn er vanaf 1960 drie 2e klassen.

   

4.4 – 1963-1966
In de top van het zaterdagvoetbal wordt de strikte districtenscheiding in de hoogste klasse losgelaten. Vanaf 1963 is er een 2e klasse A, B en C. Een jaar later komt daar nog een afdeling bij.

   

4.5 – 1966 -1971
Vanaf medio jaren zestig zet een verdere professionalisering door. Nog altijd neemt het aantal profclubs af, maar de clubs die overblijven verlaten vaak de verenigingsstructuur en worden stichtingen. Zo verdwijnen door naamsveranderingen en fusies veel traditionele clubnamen uit het profvoetbal. De amateurtakken van die clubs gaan vaak verder als zelfstandige amateurvereniging. In het seizoen 1966-1967 zijn er nog drie profcompetities over. De Tweede Divisie bestaat dan uit 23 clubs, de grootste afdeling ooit in de Nederlandse voetbalgeschiedenis. Na afloop van het seizoen 1968-1969 spelen de zondag- en zaterdagkampioen voor het eerst om de algehele amateurtitel. Hoewel op zaterdag de 2e klasse dan nog het hoogste niveau is, worden daarmee beide piramides feitelijk gelijkgeschakeld. Vanaf 1970 helemaal als er twee 1e klassen worden gevormd op zaterdag.

   

5. De harde scheiding tussen profs en amateurs (1971-1996)
De scheiding tussen profs en amateurs die vanaf begin jaren zestig feitelijk al bestond wordt in 1971 geformaliseerd. Door een forse sanering wordt het aantal profclubs verder teruggebracht en de Tweede Divisie verdwijnt. De amateurkampioen heeft niet meer automatisch het recht om te promoveren. Vanaf de jaren tachtig treden wel weer mondjesmaat nieuwe profclubs toe, maar niet meer op basis van sportieve promotie.

5.1 – 1971-1974
Na de grote sanering van 1971 zijn er aanvankelijk nog 39 profclubs over, verdeeld over de Eredivisie (18) en de Eerste Divisie (21). Bovendien wordt de poort tussen de Eerste Divisie en de top van de amateurs op slot gezet. De amateurkampioen kan niet meer promoveren als zij dat zou willen.

5.2 – 1974-1996
De voetbalpiramide lijkt haar vorm te hebben gevonden. Tussen 1974 en 1996 zijn er nog maar twee wijzigingen. In 1974 wordt op zondag de hoofdklasse ingevoerd boven de 1e klasse, het aantal klassen in de top van de zondagpiramide gaat daardoor van zes naar drie. In 1983 wordt het aantal 1e klassen op zaterdag uitgebreid van twee naar drie. Door de invoering van de hoofdklasse zit er qua naamgeving wel weer een verschil tussen de hoogste afdelingen op zaterdag en zondag. Met de terugkeer van RBC (één van de slachtoffers van de sanering in 1971) in het profvoetbal in 1983 is na jaren van teruggang het aantal profclubs weer uitgebreid. Later volgen nog meer clubs, waarvan RKC het meest succes zal worden.

   

6. Alles onder de vlag van de KNVB (1996-2010)
In 1996 gaan alle regionale afdelingsbonden op in de KNVB. Daardoor komen er niveaulagen bij onder de 4e klasse. Het verschil per district en wedstrijddag hoeveel. Het aantal districten neemt aanvankelijk ook toe tot negen. Later worden de zes aloude districten weer in ere hersteld.

6.1 – 1996-2001
Bij de samenvoeging van de KNVB en de afdelingsbonden wordt ook het inmiddels achterhaalde papieren niveauverschil tussen zaterdag- en zondagvoetbal geschrapt. De 1e klasse op zaterdag heeft vanaf nu ook hoofdklasse en alle niveau’s daaronder schuiven daardoor feitelijk eentje door: de 2e klasse wordt 1e klasse, enzovoort. Met name het westelijke district wordt flink versnipperd. Vanaf 1996 is er vier westelijke districten en ook het district Midden komt voor een deel voort uit het oude West I. De piramide moet opnieuw vorm krijgen. In enkele districten gaat het niveau tot de 8e klasse, maar de opbouw kent een spitse top, een brede tussenlaag (4e klasse), maar daaronder veel versnippering.

   

6.2 – 2001-2010
De oude structuur met zes districten keert terug. En dat komt ook de overzichtelijkheid en de piramidevorm ten goede. Ieder district heeft daardoor één eerste klasse (zes op zondag en vijf op zaterdag vanwege het zaterdagvrije Zuid II). Op een paar 7e klassen na (in West I op zondag en Noord op zaterdag) lopen de piramdes in alle districten tot de 4e, 5e of 6e klasse.

  

   

7. Moeizame  pogingen tot integratie (2010-2017)
Na jarenlange discussies wordt in 2010 de Topklasse ingevoerd, een landelijke afdeling op zowel zaterdag als zondag. Eén van de doelen is sportieve promotie en degradatie op gang te brengen. Daar komt echter nauwelijks iets van terecht, omdat de amateurclubs vinden dat er veel te grote risico’s kleven aan promotie. Met name zaterdagclubs vrezen bovendien hun  karakter te verliezen en blijven zeer gehecht aan de zaterdagmiddag als speeldag. Vooralsnog wil het daarom niet vlotten met de gehoopte doorstroming.

7.1 – 2010-2013
Al rond 1980 wordt er gesproken over wat uiteindelijk de Topklasse zou worden, maar pas in 2010 is het zo ver. Dertig hoofdklassers en twee degradanten uit de Eerste Divisie vormen de topklasse. Eén club heeft het recht te promoveren. Uiteindelijk degradeert er slechts één club uit het profvoetbal (FC Oss), omdat Haarlem begin 2010 failliet gaat en FC Oss promoveert als kampioen van de zondagtopklasse ook weer meteen, omdat zaterdagkampioen IJsselmeervogels geen trek heeft in een profavontuur. Zo blijft het de jaren daarna gaan, totdat Achilles’29 in 2013 toehapt, op basis van minder strenge eisen. De KNVB heeft namelijk een probleem doordat na Haarlem ook RBC, AGOVV en Veendam failliet gaan, waardoor de Eerste Divisie leeg loopt.

7.2 – 2013-2016
Een splijtzwam in het topvoetbal is de toetreding van beloftenteams in de Eerste Divisie. Vanaf 2013 doen Jong Ajax, Jong PSV en Jong FC Twente mee in de Eerste Divisie, wat vooral veel klachten oplevert over competitievervalsing (de beloftenteams spelen veel in wisselende samenstellingen) en dramatische publieke belangstelling. Ondertussen is de diepte van de piramide aan het afnemen. De oorzaken daarvoor zijn tweeledig. Nadat vanaf 2010 al  hogere amateurafdelingen (tot en met de 2e klasse) zijn uitgebreid van 12 naar 14 teams geldt dat vanaf 2015-2016 voor alle amateurafdelingen. Tegelijkertijd neemt het aantal teams af door fusies en doordat er meer clubs verdwijnen dan bijkomen. Hierdoor neemt het aantal afdelingen af. Ook is er in bepaalde regio’s een trend waarneembaar van clubs die de zondag inruilen voor de zaterdag als speeldag. Dat proces is al enkele decennia gaande, maar neemt in bepaalde regio’s de vorm van een domino-effect aan. In West II neemt het aantal standaardteams op zondag steeds verder af en zijn er nog amper teams om een 4e klasse mee te vullen.

   

7.3 – 2016-2018
In een poging de doorstroom tussen prof- en amateurvoetbal alsnog op gang te brengen volgt er een nieuwe aanpassing van de piramide. Boven de Topklasse wordt de Tweede Divisie (her)ingevoerd met clubs uit het zaterdag- en zondagvoetbal. Het is de eerste gemengde afdeling. De topklassen worden hernoemd tot Derde Divisie en het aantal hoofdklassen wordt ingekrompen tot twee per speeldag. Tegelijkertijd worden ook in deze divisies beloftenteams van profclubs toegelaten. De eerste promovendus vanuit de Tweede Divisie is Jong AZ, maar daar blijft het voorlopig bij. Vanwege alle kritiek van met name de amateurs gaat de KNVB terug naar de “tekentafel”. De verplichte promotie is daarmee voorlopig ook opgeschort. Het is dus een kwestie van tijd voordat onze voetbalpiramide opnieuw op de schop gaat.